Over mijn werk:

Ik werk met eenvoudige vormen (vierkanten, lijnen) en materialen (karton, papier, hout, mdf, foam board) in eenvoudige ritmische composities, vooral gebaseerd op spiraalvormige bewegingen.
Eenvoudig betekent: een rechte lijn, eenvoudiger dan een vlak; een vierkant, eenvoudiger dan een rechthoek. Alles wat overbodig is, mag weg.
Eenvoudig betekent ook: wit.

Ik werk graag in een minimale beeldtaal: een herhaling van hetzelfde element, soms met kleine verschuivingen of verdraaiingen. Soms zijn er ook meer elementen, die elkaar versterken en samen een nieuw element vormen. Er ontstaan structuren, die vanaf de randen oneindig doorlopen, maar waarvan ik slechts een gedeelte laat zien. Wat er uiteindelijk te zien is, is een sterk beeld van leegte en verstilling, van rust, van stilte, in een meditatieve sfeer, een beeld van oneindigheid binnen een eindige vorm. Er zijn geen hoofd- of bijzaken, geen accenten.
In beginsel: strak, maar het handschrift dat gaandeweg ontstaat, is er gewoon en mag er zijn. Daardoor blijft er ook ruimte open voor toeval en intuitieve beleving.

Ik zoek het in een streng consequente houding bij het omgaan met geometrische vormen en constructies, waaruit dan als vanzelf de maatvoering, ritme en verhoudingen vloeien die het uiterlijk van het uiteindelijke werk bepalen. De term “geometrisch-abstract” zou daarom van toepassing kunnen zijn.

Het werk verwijst niet naar de bestaande werkelijkheid, het is geen afbeelding van die werkelijkheid. Er zijn geen commentaren, betekenissen, symbolen, boodschappen.
De reliëfs pretenderen niet meer te zijn dan zichzelf: een rangschikking van vormen.

Daarom past mijn werk naar mijn eigen idee het beste bij omschrijvingen, die gebruikt worden bij het definiëren van Concrete Kunst.

 

"Het werk moet helemaal geconstrueerd zijn uit zuiver beeldende elementen.
Een beeldend element heeft geen andere betekenis dan zichzelf en dus heeft het schilderij geen andere betekenis dan zichzelf"
. (van Doesburg, plm. 1930).

"Minimalisten hebben vaak een voorkeur voor het herhaaldelijk gebruik van een element dat een eigen formele eenvoud of compleetheid bezit.
Elk onderdeel is een zelfstandige eenheid en de constructie van het kunstwerk bestaat uit een vermenigvuldiging, een herhaling van deze basiseenheid. (
Little, Understanding Art, 2012).

---

Jan Hendriks - Nieuw werk

(tekst: Wim de Natris, galeriehouder van Galerie de Natris, Nijmegen tgv de solo-expo van 7 mei tot en met 18 juni 2017)

Jan Hendriks (Tilburg 1946) is opgeleid als beeldend kunstenaar aan de toenmalige Academie Beeldende Vorming Tilburg (Fontys Hogeschool voor de Kunsten) en aan Academie Beeldende Vorming, Amsterdam (sinds 2015 Breitner Academie). Hij woont en werkt in Landsmeer, vlak bij Amsterdam.

De term “concrete kunst” hoor je vaak in verband met het werk van Jan Hendriks. De uitdrukking is gelanceerd in 1930 door Theo van Doesburg, een van de oprichters van De Stijl in 1917. Van Doesburg zag een wezenlijk onderscheid tussen de abstracte kunst van iemand zoals Kandinsky, die intuïtief en emotioneel was en de abstracte kunst, zoals hij nastreefde. Een manier van uitdrukken, die hij concrete kunst noemde. Concrete kunst was ook abstract, maar dan gebaseerd op rationele grondslag. Universele kunst die voor iedereen begrijpelijk zou moeten zijn.

Hendriks houdt niet van die soort bestempelingen. ‘Ik werk met eenvoudige vormen en materialen, karton, papier, hout, mdf, foam board. In eenvoudige ritmische composities…... Eenvoudig betekent een rechte lijn, eenvoudiger dan een vlak, een vierkant, eenvoudiger dan een rechthoek. Alles wat overbodig is mag weg. Eenvoudig betekent ook wit.’ Wat hij maakt stelt niets voor.

Maar met de minimale beeldtaal kun je toch heel veel. Voortdurend onderzoekt de kunstenaar wat je daar allemaal mee kunt doen. Door herhaling van geometrische elementen in witten en grijzen, kun je een breed scala van oplossingen scheppen. In deze tentoonstelling in Galerie de Natris laat Jan Hendriks zien dat de mogelijkheden nog lang niet zijn uitgeput. Nieuwe stappen voor de kunstenaar op nog lang niet geheel ontgonnen terrein. Niet alleen voor het oog, maar ook voor de geest. Voor het oog bestudeert Hendriks het effect wanneer je het geijkte kader, het klassieke ‘oervenster’ van het schilderij loslaat. Dat is weliswaar al eerder gebeurd bij de schilders van het ‘shaped canvas’ in de jaren zestig waarbij afscheid werd genomen van de klassieke begrenzingen zoals de rechthoekig, het vierkante of cirkelvormige formaat, maar nog niet eerder bij het experimenteren met seriële geometrisch elementen. Voor de geest omdat hier een, overigens oude, vraag wordt gesteld. Waar houdt de voorstelling van een schilderij op, waar begint de buitenwereld van het werk?

En, is Jan Hendriks wel een schilder? Er wordt weliswaar geschilderd, of beter gezegd beschilderd, want zijn werken zijn in wezen beschilderde reliëfs. Ook daarmee exerceert de kunstenaar. Hij beweegt zich op het vlak van het twee- en driedimensionale. Dat ‘tweesporenbeleid’ stelt het concrete in het werk wel tot discussie. Want hoe concreet, hoe rationeel is het werk van deze kunstenaar eigenlijk? Je vraagt je af of het werk van Jan Hendriks bij nadere beschouwing toch eigenlijk eerder intuïtief en emotioneel is dan puur rationeel.

Kortom, Jan Hendriks roept met zijn werk, dat in zijn woorden niets voorstelt, toch wel veel interessante vragen op. Goed kijken naar zijn werk is zo een spannende visuele en bespiegelende ervaring.

zie ook:  https://vimeo.com/77858061

Follow Jan Hendriks on Artfinder