Blog

  • About the interpretation of Art

    18 februari 2012

    First, it had been up to artists themselves to formulate their theories. Starting with the generation of Manet and the Impressionists, this task fell to the critics. Although artists continued to discuss technical and theoretical issues with each other, it was left to the critics “to present these discussions as organized theories”.

    Second, when it came to instructing the public about developments in painting, the emphasis shifted from subject matter (the Academic priority) to issues of style and painting method. Thus, in the new situation, critics tended to instruct the public “how to look at a painting, rather than how to interpret its subject”. This implied that, from now on, any judgment had to overcome an uncertainty or indeterminacy that was of a more fundamental nature than before. The question raised was no longer “What does this painting tell us?”, but “How is this a good painting?” or even “How is this a painting?"

    In the twentieth century this uncertainty became more or less endemic. Regardless of their authorial position, artists were affected by it just as much as critics and other viewers. Especially since the 1960s, the uncertainty of interpretation has shifted from the domain of painting — a recognisable, technically delineated discipline — to a generic field in which practitioners called themselves neither painters, sculptors nor photographers, but simply “artists”. The crucial question is no longer “How is this a painting?” but “How is this a work of art?

    As long as a work is in production, the artist can decide autonomously on an artistic parameter. He can feel that the work is his, and only his. Yet once it is finished and put on display, the work will slip away from his control. The artist will be seen as the author of the work and therefore be held responsible, but responsible for what? The question of what the work purports, what it means and what it refers to, what its merits and weaknesses are – or even what the work is and what it does – can only be answered by individual members of the public. The viewer is required to take responsibility for the interpretation of the work, as the interpretation can never be taken for granted. Thus artists are unable to control the reception and “afterlife” of their work. They may offer their own interpretation, but that will count as just one possible reading out of many. They are not in a privileged position to decide the meaning of their artistic output. The artist is a “second-order observer” on a par with any other viewer of the work.

    Camiel van Winkel, 2012 (From: “During the Exhibition The Gallery Will Be Closed, Contemporary Art and the paradoxes of Conceptualism”  uitg. Valiz, Amsterdam 2012, pp. 62-63)

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 1 keer bekeken

  • De visie van de kunstenaar

    14 november 2011

    Kunt u ons dan iets vertellen over uw visie als kunstenaar?

    Ten eerste is het erg belangrijk voor mij om een geschikte en authentieke manier te vinden om mezelf uit te kunnen drukken. Ten tweede, en dat is zelfs nog belangrijker, denk ik dat het een instelling is die heel goed aansluit bij mijn spirituele ofwel “innerlijke” wereld.

    Een kunstwerk is op zichzelf niet meer dan een opeenstapeling van materialen. Maar het proces van bedenken en het daarna ook uitvoeren is een lange en uitdagende weg voor mij. Ik vind dit proces erg veeleisend. Je moet nadenken, verfijnen, en je ideeën zelfs oprekken. Kunstenaars bevinden zich dan vrij lang in een soort meditatief stadium waarin je jezelf beter en beter moet leren begrijpen en waarin je in staat moet zijn om jezelf te beoordelen. Dus bezig blijven om jezelf completer te maken is de meest uitdagende overtuiging voor mij.

    Li Hui 2010 (uit de catalogus van de expositie "Who's afraid of Red, Amber and Green" in het Museum Kunstlicht in de Kunst, Eindhoven)

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 56 keer bekeken

  • kijken naar mijn werk

    31 oktober 2011

    Uit een brief van een verzamelaar:

    “Afgelopen vrijdag ben ik, samen met een kunstverzamelaar, naar uw werk gaan kijken in Landsmeer. Na een algemene indruk deden we ergens de spotjes aan en zagen dat -hoewel de werken een geometrische sereniteit uitstralen- er geen sprake is van koel machinaal werk, maar van (allesbehalve koele) ambachtelijke arbeid.

    Janneke Wesseling schreef dan wel in haar boek over de Nul-beweging dat het de Nul-kunstenaars niet meer om emoties ging, maar om objectieve informatie over de realiteit, toch kon ik me hier in het Gemeentehuis niet aan de indruk onttrekken dat in de beleving van de beschouwer een gevoelige snaar geraakt kan worden. Misschien door het seriële: de ritmische sfeer van de “eeuwige wederkeer van het gelijke” (om met Nietzsche te spreken), waardoor de paradox ontstaat dat een reliëf een stukje vertegenwoordigt van iets dat oneindig door kan gaan. Misschien ook door de allesomvattende maar tegelijk meest lege kleur: wit.

    Over wit schreef Herman Melville in zijn beroemde boek Moby Dick het volgende (wellicht kent u het citaat, anders bij deze): “Al verhoogt wit bij veel in de natuur op verfijnde manier de schoonheid, alsof het er een bijzondere deugd inlegt. En al roept het vele associaties op met alles wat eerbaar en verheven is. Toch zit in de diepste kern van deze kleur iets ongrijpbaars. Zo ongrijpbaar dat ze de ziel met meer paniek doet slaan dan het rood van bloed”.

    Uw reliëfs staan in een traditie, maar zijn er niet minder indrukwekkend om, integendeel; daarom zal ik uw werk (ook als kunstbemiddelaar) via uw website blijven volgen.”

     

    In antwoord op deze brief schreef ik: “Kijken naar mijn werk”

    Als je naar mijn werk kijkt, krijg je allereerst een indruk van koel, strak werk en je vraagt je af met welk materiaal je te maken hebt en hoe de compositie is ontstaan. Als je dat ontdekt hebt, heb je als het ware een begin gemaakt van een relatie met het werk.
    Elke aandachtige beschouwer zoekt zo'n relatie met elk willekeurig werk in een museum of galerie, bij voorbeeld door het stellen van de vragen:  "wat is er te zien?", wat stelt het voor?", "lijkt het?", "kun je zien wat het is?".

    Bij mijn werk stelt de beschouwer zich over het algemeen de vraag: "waar is het van gemaakt (materiaal)? ", "hoe is het gemaakt (techniek)? " en "waarom ziet het er uit zoals het er uit ziet (compositie)?" om op die manier te begrijpen, dichterbij te komen en een verbinding te voelen met het werk.

    Je oog zoekt houvast en vindt die soms in de terugkerende groepjes elementen of richtingen, dat is al weer een stap dichterbij. Vaak ook is er geen houvast en blijft je blik dwalen over het paneel. Dat komt omdat accenten ontbreken, er zijn geen plekken die meer of minder aandacht vragen dan andere plekken en waarop je oog zich even kan vastzetten, even kan rusten. Hierdoor word je nieuwsgierig en kom je dichterbij: het beeld van het koele, strakke werk verdwijnt, het handschrift wordt zichtbaar en daarmee komt de emotie in beeld, die in het werk ligt, voorbij het koele en strakke. Dit is, voor mijn gevoel, het meditatieve moment, het moment van herkenning. Terwijl je blik blijft dwalen over het oppervlak en steeds weer nieuwe dingen, hoekjes, structuren, details ziet ga je als vanzelf aan de gang met je eigen gedachten.

    Zo denk ik dat het zien van mijn reliëfs in zijn werk gaat. Het emotionele van het werk is ook een nadrukkelijk onderdeel van de beleving van het bekijken van het werk. In die zin ligt de “objectieve waarneming van de realiteit” van de NUL-beweging, waar mijn werk regelmatig aan gerelateerd wordt, ver achter me.

    Tegelijkertijd is, wat er feitelijk te zien is, geen afbeelding van de realiteit, geen verwijzing naar de een of andere werkelijkheid, dus geen abstract beeld (in de zin van: “resultaat van abstraheren”), maar een oorspronkelijk nieuw beeld, los van betekenissen of suggesties, met als enige betekenis: zichzelf.

    En waarbij het idee zich opdringt dat datgene wat je ziet een uitsnede is uit een oneindig doorlopende structuur, die in zichzelf al gecompliceerd genoeg is om daar nog eens kleur aan toe te voegen. Vandaar het gebruik van de niet-kleur = wit, waarvan ik eigenlijk alleen de materie (= verf en oppervlak) benut en de eigenschap van het samenvoegende, die van de onderdelen een geheel maakt. Wit is tegelijk ook de kleur van het zuivere, het schone, het niet-bezoedelde, waardoor het karakter van het oorspronkelijke van het werk wordt versterkt en nadruk legt op het positieve, op wat de moeite waard is.

    Jan Hendriks voorjaar 2011 (uit een brief aan een verzamelaar).

     

    Lees meer >> | 0 Reacties | Reageer | 51 keer bekeken